Schriftlezingen: Ruth 3:7-18; Lk. 1:26-38 – tekst: Ruth 3:11a
"Verlosser in de nacht”. Dat is het thema van deze overdenking.
De nacht wordt door velen niet als prettig ervaren. Sommigen hebben slapeloze nachten vanwege spanningen. Ze vragen zich af hoe het met hun leven verder zal aflopen, met hun huwelijk, hun gezondheid, hun kinderen. Misschien is er een conflict en het is niet zeker hoe het zal aflopen. Komt er toenadering of niet?
Veel mensen zijn ’s nachts ook bang, vooral kleine kinderen. Ze slapen met een bedlampje aan. Misschien zijn ze bang voor spoken. ’s Nachts is het donker en zie je zo weinig. Dat wordt door velen als onprettig ervaren.
Vroeger waren mensen ’s nachts bang voor spoken of boze geesten.
Wij leerden vroeger bidden: “Here houdt ook deze nacht over mij getrouw de wacht”. Ik vond dat altijd een mooi gebed. Het stelde je gerust. Je ging niet alleen de nacht in, maar er was er Één die over je waakte.
Maar ook in andere zin zijn we bang voor de nacht of ervaren we die als onprettig. We noemen dit de nacht van ons bestaan. Veel mensen leven in de nacht. Ze zijn depressief of bang. Ze hebben financiële zorgen. En nog weer anderen zitten in de gevangenis, ze liggen ernstig ziek in het ziekenhuis of verblijven in een psychiatrische inrichting.
We lezen in de krant tegenwoordig veel over vluchtelingen. Of we zien het op de tv. Met stromen trekken ze naar Europa, vanuit Afrika of Azië. Ik las dat er bijna acht miljoen Oekraïners gevlucht zijn voor het oorlogsgeweld. Ze zijn hun leven niet zeker. Veel vluchtelingen worden aan de Europese grenzen niet zo fijn behandeld, en dan druk ik me nog zacht uit. Het leven is voor hen een nachtmerrie geworden.
In die zin leven we in een wereld vol zonde en kwaad. Het is duister om ons heen.
Velen vragen: “Waar is God in deze nacht? Hij is toch een God van licht en liefde?” Dat is ook zo. We mogen bidden om zijn hulp en kracht, maar tegelijkertijd mogen we onze eigen verantwoordelijkheid niet ontwijken.
We lazen dat ook in Ruth 3. We lazen hoe Naomi haar schoondochter aanspoort om hulp te gaan zoeken bij Boaz, de landheer. Hij is in staat om de familie te helpen in nood. Hij is in staat als losser op te treden. We hebben afgelopen zondag gezien dat dat betekent dat hij de familie redt van de ondergang door een verloren stuk land terug te kopen of zelfs een weduwe te trouwen en voor nageslacht te zorgen voor haar overleden echtgenoot.
Ruth moet Boaz opzoeken op de dorsvloer. De oogst is binnen, het koren is van het kaf gescheiden en kan gebruikt worden. Er is een oogstfeest waarbij gegeten en gedronken wordt. Iedereen is blij, ook Boaz. Als Boaz in deze gemoedstoestand is moet Ruth hem benaderen. Misschien kan ze dan nog iets van hem gedaan krijgen. Hij ligt tegen de hoop gerst te rusten. Dan kan ’s nachts niemand de gerst stelen.
We lezen dat Ruth stilletjes naar hem toekomt. Ze wil niet aangezien worden voor een prostituee. Dat zou haar naam in Bethlehem schaden. Er zouden allerlei praatjes over haar rondgaan en dat wil ze niet.
We roddelen graag over elkaar en soms maken we de ander zwart. We strooien vervelende praatjes over hem of haar rond. We denken er niet aan dat de ander daardoor geschaad wordt.
Als Boaz op de dorsvloer wakker schrikt, merkt hij dat er een vrouw aan zijn voeteneinde ligt. Midden in de nacht ontstaat er een gesprek tussen deze twee. De nacht is bij uitstek het moment om intiem en diepgaand met elkaar te spreken. We worden niet gestoord door de drukte en door andere mensen. Denkt u maar aan Jezus, die midden in de nacht met Nicodemus sprak.
“Wie is daar?”, vraagt Boaz. En dan maakt Ruth zich bekend, waarschijnlijk met een kloppend hart. Wat zal hier gebeuren? Hoe zal Boaz reageren? “Ik ben het, Ruth”, zegt ze. “Wilt u mij bij u nemen, want u kunt voor ons als losser optreden”. Hoort u het, gemeente? Ze vraagt om hulp en steun. Het is nacht in haar leven en ze verlangt naar licht en uitzicht. En waarschijnlijk heeft zij genegenheid opgevat voor deze Boaz. “Wilt u mij bij u nemen?”, vraagt ze. Wilt u ons land terugkopen? betekent dat. Of misschien ook wel: Wilt u met me trouwen? Het was een ongebruikelijke vraag, zeker in het oude Oosten. De vrouw moest maar afwachten wat er met haar gebeurde, wie met haar wilde trouwen. Maar hier neemt Ruth het in initiatief. Gewaagd, want misschien zou Boaz wel boos worden.
Maar het tegendeel gebeurt. Het lijkt wel of Boaz zich vereerd voelt. Hij is misschien al wat ouder dan Ruth en voelt zich vereerd dat de jonge Ruth hem toch nog benadert.
En dan lezen we in de tekst van vanmorgen: “Daarom, mijn dochter, wees niet bang”. Hij noemt Ruth zijn dochter, maar dat was de gewoonlijke aanspreektitel voor jongere vrouwen in het oude Oosten. Nee, Ruth hoeft niet bang te zijn. Dat zijn geruststellende woorden.
We weten niet of Ruth heeft gebeden of God haar en Naomi uit de armoede wilde halen, of Hij haar op de dorsvloer wilde helpen om in contact te komen met Boaz, maar het is wel waarschijnlijk. Op weg naar Bethlehem heeft ze haar geloof beleden in de God van Israël.
In elk geval wordt ze gerustgesteld. Het gaat gloren in de nacht. “Ik zal doen wat je van me vraagt”, zegt Boaz. Het gesprek tussen Ruth en Boaz wordt hier verkort weergegeven, maar waarschijnlijk heeft het langer geduurd. Maar de bedoeling is duidelijk: Boaz wil zijn plicht vervullen en optreden als losser. Hij wil het land van Elimelech terugkopen. En verderop zullen we zien dat hij Ruth ook nog wil trouwen. Hij wil haar een nieuwe toekomst geven, het licht in haar leven laten schijnen.
Hij maakt echter één voorbehoud: er is een familielid dat nog dichter bij Ruth staat. Hij is de eerst aangewezene om losser te zijn, maar als hij niet wil, zal Boaz het zeker doen. En aan het einde van de nacht, tegen de morgen, geeft hij haar nog een behoorlijke hoeveelheid gerst mee. Hij laat Ruth niet met lege handen gaan. Hij heeft Ruth verlost van spanning en onzekerheid, hij verlost haar uit haar armoede en nood. Ja, hij is een ware verlosser in de nacht.
Boaz wijst heen naar de Verlosser in het Nieuwe Testament, Jezus Christus. We mogen erbij stilstaan hoe God zijn beloften vervult. Wij denken soms: Komt er nog wat terecht van Gods beloften? Het wachten duurt zo lang. Ik leef al zo lang in de nacht.
We weten niet of Maria dat ook zo ervaren heeft. We lazen over haar in Lucas 1. Wel was het zo dat Israël geestelijk in de nacht leefde. Nog weinigen verwachtten de Messias. Velen waren Gods beloften vergeten. Er waren enkele uitzonderingen, zoals Zacharias en Elisabeth, Simeon en Anna en Jozef en Maria. Van Simeon lezen we: “Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken”. Hij wachtte op de komst van de Verlosser, de Messias.
Van Maria weten we dat ze uitgehuwelijkt was aan Jozef. Zo ging dat in die tijd. Je had als vrouw niets in te brengen. Ze zal vol spanning hebben afgewacht wat het huwelijk met Jozef haar zou brengen.
Maar dan krijgt haar leven plotseling een wending. God heeft naar haar omgezien en haar een rol toebracht in zijn heilspan – het reddingsplan voor deze wereld. Er verschijnt een engel aan Maria, Hij heeft een onverwachte boodschap. Ze zal zwanger worden, en wel door toedoen van de Heilige Geest. Ze zal een zoon ter wereld brengen, de Zoon van God. Hij zal heilig worden genoemd. Hij zal koning zijn en aan zijn koningschap zal geen einde komen. Hij zal een nieuwe David zijn. Maria wist wel wie David was. Het was een roemrijk koning uit het verleden. Hij maakte Israël groot en verloste het van zijn vijanden.
Zo zal God door deze nieuwe David de wereld verlossen van zonde en kwaad, van nacht en duisternis. Hij zal het licht opnieuw laten schijnen. Zo zal Jezus de Verlosser in de nacht zijn. Hij heeft zijn roeping ook waargemaakt. Hij leed en stierf voor de zonden van de wereld. Daarvoor kwam Hij in de kerstnacht. Wij mogen in Hem geloven als de Verlosser in de nacht.
Maar staan wij als mensen dan buiten spel? Hoeven we niets te doen? Aan de ene kant mogen we blij zijn met Gods genade, dat Hij in de kerstnacht heeft omgezien naar deze wereld, naar u, jou en mij. We mogen dat in dankbaarheid aanvaarden. Maar we mogen er ook naar leven. De verlossing in de nacht betekent ook een opdracht voor ons: de ander helpen waar we maar kunnen, een open oog en een open oor hebben voor zijn of haar nood.
Er is in de wereld veel nood, geestelijk en materieel. Veel mensen kennen God niet. Ze kennen Jezus de Verlosser niet. En veel mensen hebben het moeilijk, door oorlog en geweld, honger en armoede, ziekte en dood. Deze mensen mogen we nabij zijn. Zo mogen we het Gods licht verspreiden om ons heen.
Boaz heeft het gedaan. Hij trad op als losser en verlosser. Hij gaf Ruth en Naomi nieuwe kansen. Maria heeft het gedaan. Ze stelde zich in dienst van God en mensen. Jezus heeft het gedaan. Hij gaf zijn leven aan het kruis om ons te bevrijden van onze nacht.
En wij? Zijn wij de ander nabij?
Maak jouw eigen website met JouwWeb