Schriftlezing: 1 Sam. 13:2-14; tekst: 1 Sam. 13:9

 

“Leid ons niet in verzoeking”. Dat is het thema van deze overdenking. Het is een bede van het Onze Vader, het gebed dat Jezus ons geleerd heeft.

Elk mens heeft zijn zwakheden. Niemand ontkomt eraan. Er zijn mensen die graag snoepen. Als ze de kans krijgen snoepen ze de hele snoeptrommel leeg. Anderen drinken graag wijn of bier, vaak een beetje te veel. Weer anderen willen graag domineren en spelen graag de baas. Nog weer anderen zijn uit op eer en roem. En nog weer anderen zijn uit op rijkdom. Geld en goed speelt een te grote rol in hun leven. We moeten eerlijk zijn tegenover onszelf en toegeven wat onze zwakke kanten zijn. Dan kunnen we daartegen strijden.

Sommigen zeggen: “Ik kan er niets aan doen dat ik zwakke kanten heb. Ik ben ermee geboren”. Of anderen zeggen soms zelfs: “God heeft mij zo geschapen. Ik ben nu eenmaal zo”. Maar is dat zo? Hebben we helemaal geen invloed op ons leven, op onze zwakke kanten? Moeten we het maar zo laten?

De apostel Jakobus heeft zich ook over die vraag gebogen. Hij schrijft in zijn brief: “God stelt niemand aan verleiding bloot… Iedereen komt slechts in verleiding door zijn eigen begeerte die hem lokt en meesleept. Is de begeerte bevrucht, dan baart ze zonde…” Waarschijnlijk is Jakobus de broer van Jezus en is hij door Jezus onderwezen. En Jezus leerde zijn discipelen bidden: “Leid ons niet in verzoeking”. Wat betekent dat? We hebben de kracht van de Geest nodig om niet te vallen voor de verzoekingen, maar daar weerstand aan te kunnen bieden. Het is een geestelijke strijd.

Ik denk dat Saul dat ook zo heeft ervaren. We lezen het in 1 Samuël 13. De Israëlieten zijn weer eens in oorlog met de Filistijnen. Het is een voortdurende reeks van oorlogen rond Israël. Israël behaalt nu eens de overwinning, dan weer lijdt het een nederlaag. In 1 Samuël 13 lezen we dat de zoon van Saul, Jonathan, op een gegeven ogenblik een overwinning behaalt op de Filistijnen. De Filistijnen laten dit niet op zich zitten en slaan terug. Het is een eindeloze strijd. De Filistijnen verzamelen hun soldaten en strijdwagens. Het is een enorme overmacht. Ze hebben strijdwagens, die Israël niet heeft. Het waren de tanks van die dagen. “En het voetvolk was zo talrijk als zandkorrels aan de zee”, zegt de schrijver van het eerste Samuëlboek. De Filistijnen hebben legio cavalerie en infanteristen, om het te zeggen met hedendaagse termen. De Israëlieten worden dan ook teruggedreven. Soldaten zoeken een goed heenkomen. Ze deserteren. Hun paniek is groot.

Ja, wij kunnen bang worden voor een situatie die we niet kunnen beheersen of overzien. We voelen ons machteloos, overweldigd. Wat nu te doen? Dat hebben de Israëlitische soldaten zich ook afgevraagd.

 Maar waar is hun koning, Saul? Die is in Gilgal met zijn soldaten. Het was de bedoeling dat hij de andere Israëlieten te hulp zou komen, maar hij wacht af. “Zijn soldaten wachten in angst en beven af op wat er komen zou”, zegt de schrijver letterlijk. Waarom wacht Saul af? Waarom trekt hij er niet op uit en slaat hij erop los?

Hij had van de profeet Samuël het bevel gekregen te wachten. Die had gezegd: “Ga daarna door naar Gilgal en wacht daar zeven dagen op mij. Ik zal u achternareizen om brandoffers en vredeoffers op te dragen. Daarna zal ik u laten weten wat u verder doen moet”. Dit was het woord geweest van de man van God.

Begrijpt u de situatie van Saul? Terwijl het leger van Israël in de pan gehakt wordt, moet hij wachten. Wat een verzoeking… Zijn geduld wordt danig op de proef gesteld. Wat zou hij graag ten strijde trekken en de vijand een lesje leren. Zijn handen jeuken… Herkent u die situatie? Wij popelen vaak vol ongeduld en willen erop losslaan. Misschien zijn we getergd of getreiterd, misschien heeft iemand het bloed onder onze nagels vandaan gehaald. We willen actie, hier en nu en kunnen niet wachten. Soms komt onze actie uit blinde woede voort en zijn we niet meer redelijk…

Saul kan het opbrengen om zeven dagen te wachten, zoals Samuël het hem gezegd heeft. Maar die komt niet. Wat nu? Saul merkt dat hij in moeilijkheden komt. Zijn soldaten beginnen te deserteren. Ze zijn doodsbenauwd.

Saul wikt en weegt. Er is een strijd in zijn binnenste ontbrand. Zal hij Samuël gehoorzamen, en daarmee God, of zal hij de knoop gewoon doorhakken en ten strijde trekken, dan maar zonder Samuël? Als hij de knoop doorhakt, kan hij aan populariteit winnen bij zijn mannen. Ze ervaren hem dan als een sterk leider, die doorzet.

Merkt u het, gemeente? De verleiding ligt bij Saul op de loer. Zal hij eraan toegeven of niet? Het is verleidelijk om erop uit te trekken en erop los te slaan.

Ik denk dat we Saul wel begrijpen. Ook wij staan vaak op een kruispunt. Wat zullen we doen? Toegeven aan de verleiding of die weerstaan? Blijven we geduldig of slaan we erop los? Kunnen we ons beheersen of niet?

Het tragische is dat Saul toegeeft aan de verleiding. Hij hakt een knoop door en gaat zijn eigen gang. Hij is God en de profeet ongehoorzaam. Hij gaat zelf aan de slag. Hij brengt zelf het brandoffer. Hij weet heel goed dat dat niet mag, want hij moest wachten. Maar bovendien was hij geen priester. Alleen priesters mochten offers opdragen. Saul was eigengereid en trok zijn eigen plan. God was achter de horizon verdwenen.

Maar merkt u ook het volgende? Het leek mooi wat Saul deed: een offer brengen voor de Heer, een zegen vragen over de strijd.

Zo lijkt het soms mooi wat we doen, maar het is het niet. We houden het onszelf voor dat het goed en mooi is wat we doen, maar we weten intussen wel dat dat niet zo is.

De vraag is: heeft God Saul verleid om dit te doen of de satan? De schrijver van het eerste Samuëlboek stelt deze vraag niet. Maar we weten: God verleidt ons niet tot het boze. Wel mogen we Hem vragen ons niet in een situatie te brengen dat we het kwade doen, want we zijn soms zwak en geneigd om toe te geven aan onze kwade neigingen.

Ik denk eerder dat het de satan was die Saul verleidde om de verkeerde beslissing te nemen, om niet te wachten op God.

Ja, we zijn vaal ongeduldig en willen graag dat God hier en nu ingrijpt, hier en nu doet wat wij vragen, en anders trekken we ons eigen plan wel. Zo gaat dat vaak.

Het opvallende is dat Saul geen excuses aanbiedt aan Samuël, geen vergeving vraagt, maar zichzelf rechtvaardigt. Ja, we rechtvaardigen ons zelf soms, hoewel we weten dat we fout zitten.

Nee, Saul was niet een koning naar Gods hart en daarom zou het koningschap van hem worden afgenomen. Tragisch.

Als we het avondmaal vieren, mogen we weten: er is vergeving als we in berouw tot God komen. God is niet hardvochtig en onredelijk. Hij ziet ons hart, onze gezindheid. Hoe is die? Zijn we Hem gehoorzaam of niet?

In het Nieuwe Testament lezen we over zijn Zoon, Jezus. Hij was zijn Vader gehoorzaam, tot het bittere einde, tot op het kruis. Hij zwichtte niet voor de verzoekingen van de satan, maar hield zijn rug recht. Hij mag ons voorbeeld zijn. Hij wil ons bijstaan in de strijd om niet verleid te worden in de verzoekingen.